BLOOTSTELLINGSCRITERIA ASBESTZIEKTEN

DE BLOOTSTELLING AAN ASBEST

Voor alle asbestziekten is aangetoond dat de frequentie van de ziekte recht toeneemt met de cumulatieve asbestblootstelling in de blootgestelde populaties. In een individueel geval is het echter niet mogelijk te bewijzen dat de ziekte effectief door asbest werd veroorzaakt. Dat bewijs wordt door het Asbestfonds ook niet geëist. De aanvrager moet enkel het bewijs leveren van een blootstelling aan het asbestrisico in België. Behalve in geval van mesothelioom gelden daarvoor dezelfde criteria als voor de toepassing van de beroepsziektewet. Die criteria zijn vastgesteld bij koninklijk besluit (KB 09/12/19, B.S. 18/12/19, p. 114257-63).

De cumulatieve asbestblootstelling wordt bepaald door de concentratie van asbestvezels in de ingeademde lucht en de duur van de blootstelling. Aan de hand daarvan wordt een cumulatieve dosis berekend die wordt uitgedrukt in ‘vezeljaren’. Om in aanmerking te komen voor vergoeding wegens asbestose, longkanker of larynxkanker, moet de blootstelling ten minste 20 jaar voor het verschijnen van de ziekte een aanvang hebben genomen en moet de cumulatieve asbestblootstelling ten minste 25 vezeljaren bedragen. Dit is naar huidige normen een erg hoge blootstelling: ze komt overeen met zowat 10 jaar werken in een omgeving met een aanzienlijke hoeveelheid asbest in de lucht. Deze omstandigheden deden zich in het verleden (voor 1985) in het arbeidsmilieu voor, maar zijn vandaag in ons land zo goed als onbestaande. Een lijst van zulke typische beroepen en arbeidsomstandigheden vindt u hier. 

Een betrouwbare aanwijzing voor de cumulatieve asbestblootstelling wordt ook gegeven door het aantal asbestlichaampjes in het bronchoalveolair lavagevocht of door het aantal asbestlichaampjes of asbestvezels in het longweefsel. De volgende vaststellingen wijzen op een risico dat overeenstemt met een cumulatieve blootstelling van 25 vezeljaren:

 

  • De aanwezigheid, vastgesteld door middel van lichtmicroscopisch onderzoek, van ten minste vijfduizend asbestlichaampjes per gram droog longweefsel of van ten minste vijf asbestlichaampjes per milliliter bronchoalveolair lavagevocht. In geval van ernstige twijfel omtrent de aard van de waargenomen ‘asbestlichaampjes’ moet de aanwezigheid van asbest door middel van elektronenmicroscopisch onderzoek worden bevestigd.

  • De aanwezigheid, vastgesteld door middel van elektronenmicroscopisch onderzoek, van ten minste vijf miljoen asbestvezels, langer dan 1 micrometer, per gram droog longweefsel of van ten minste twee miljoen amfiboolvezels, langer dan 5 micrometer, per gram droog longweefsel.

Deze tellingen geven evenwel niet aan waar het asbest vandaan komt (blootstelling in België of erbuiten, professioneel of niet-professioneel).

Voor het mesothelioom liggen de eisen qua blootstelling veel lager, omdat ook geringere blootstellingen gepaard gaan met een beduidende risicostijging. Maar ook die blootstelling moet worden aangetoond.

WANNEER IS HET NUTTIG EEN AANVRAAG IN TE DIENEN?

​Mesothelioom

In geval van mesothelioom moet altijd worden aangeraden een aanvraag in te dienen omdat de kans op erkenning groot is.

Andere asbestziekten

Voor al de andere asbestziekten kan men de redenering omkeren: tenzij er sprake is van een duidelijke (professionele) asbestblootstelling in het verleden, is de kans klein dat de aanvraag positief zal worden beantwoord. Daarbij mag als vuistregel worden aangenomen dat – behoudens zeldzame uitzonderingen – werknemers in België sinds het jaar 2000 nauwelijks nog zijn blootgesteld aan asbest en dat matige blootstellingen nog voorkwamen tussen 1985 en 2000. Personen die voor 1985 werkzaam waren in typische beroepen met een hoge asbestblootstelling, moet altijd worden aangeraden een aanvraag in te dienen.